Adviescollege Stikstofproblematiek presenteert eindadvies

11 maanden geleden Binnenland

Dit is een origineel bericht van Rijksoverheid

Maandag 8 juni 2020 presenteert het Adviescollege Stikstofproblematiek (de Commissie-Remkes) het eindrapport. Het Adviescollege presenteert de adviezen vanaf 14.00 uur in Nieuwspoort. Tevens zal opdrachtgever minister Carola Schouten van LNV het rapport in ontvangst nemen van Johan Remkes, voorzitter van de commissie.

Op 17 juli 2019 is het Adviescollege Stikstofproblematiek ingesteld door de minister van LNV. Dit naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Sinds deze uitspraak mag het PAS niet meer gebruikt worden om vergunningen af te geven voor projecten die stikstofuitstoot veroorzaken.

Wilt u de perspresentatie bijwonen, dan is aanmelden verplicht in verband met corona. Aanmelden kan tot en met 5 juni via stikstof@leenecommunicatie.nl. In verband met de 1,5-meterregel is er een beperkt aantal plaatsen beschikbaar. U kunt de presentatie volgen via www.nieuwspoort.nl en YouTube. Beeldmateriaal kan indien nodig en gewenst worden gebruikt. Na afloop van de perspresentatie komen ook foto’s beschikbaar. Zowel video- als fotomateriaal kan door de media worden gebruikt met vermelding van de bron (video: Nieuwspoort, foto: Rogier Bos).

- Datum en tijdstip: maandag 8 juni 2020, 14:00

- Programma (indicatief) 14:00 – 15.00 uur

- Presentatie advies door commissievoorzitter Johan Remkes

- Overhandiging van het rapport aan minister Carola Schouten van LNV

- Reactie minister Carola Schouten van LNV

- Plenair vragen door aanwezige pers

- Afsluiting presentatie

Tussen 16.00 en 16.30 is er voor degenen die de perspresentatie niet in Nieuwspoort kunnen bijwonen de gelegenheid deel te nemen aan een conference call met commissievoorzitter Johan Remkes. Wilt u hieraan deelnemen dan kunt u zich hiervoor aanmelden.

Aanmelden kan via stikstof@leenecommunicatie.nl. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Steffart Buijs, perswoordvoerder Adviescollege Stikstofproblematiek: 06 46163823. Let op: het eindadvies is vooraf niet beschikbaar, ook niet onder embargo. Het persbericht, het eindadvies en foto’s van de perspresentatie worden omstreeks 15.00 uur gepubliceerd via ANP Perssupport (www.perssupport.nl).
Rijksoverheid
plaats:
Den Haag
website:
https://www.rijksoverheid.nl

Andere persberichten van deze organisatie

Commissie Van Aartsen: “Omgevingsdiensten moeten onafhankelijker kunnen werken”

De 29 omgevingsdiensten in ons land – verantwoordelijk voor vergunningverlening, toezicht en handhaving op milieugebied – kunnen hun werk nu niet goed doen. Milieu en leefomgeving lijden daaronder. Om dit op te lossen moeten omgevingsdiensten onafhankelijker kunnen werken, stelt een adviescommissie onder voorzitterschap van Jozias van Aartsen. “De verantwoordelijk bewindspersoon in het nieuwe kabinet moet hiervan straks een topprioriteit maken.”

De adviescommissie kreeg in juni 2020 van staatssecretaris Stientje van Veldhoven (IenW) de opdracht om te adviseren over maatregelen die het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) op milieugebied slagvaardiger en effectiever kunnen maken.

Het belangrijkste knelpunt is volgens de commissie dat de omgevingsdiensten onvoldoende onafhankelijk kunnen opereren van het bevoegd gezag, de gemeente- en provinciebesturen. Dat wordt enerzijds veroorzaakt door een tekortschietend mandaat en anderzijds doordat een deel van de omgevingsdiensten niet goed is opgewassen tegen de hoeveelheid en diversiteit aan taken. Ze zijn krap gefinancierd en de systematiek van outputfinanciering werkt contraproductief. Dit leidt ertoe dat het bij veel omgevingsdiensten ontbreekt aan benodigde kennis en specialisatie.

Voorzitter Van Aartsen: “De commissie concludeert dat omgevingsdiensten hun werk niet goed genoeg kunnen doen. Dat leidt tot gezondheidsschade, economische schade en bestuurlijke schade. De omvang is niet goed te onderbouwen, omdat er niet systematisch onderzoek naar wordt gedaan, maar verschillende onderzoeken maken duidelijk dat de schade aanzienlijk is. Niet alleen financieel, maar ook bestuurlijk.”

De problemen worden zichtbaar door incidenten, terwijl de onderliggende oorzaken structureel zijn. Zo is er onvoldoende toezicht op het functioneren van omgevingsdiensten. Het zogenaamde horizontaal toezicht door gemeenteraden en Provinciale Staten werkt niet, en een andere vorm van toezicht ontbreekt. Het Rijk speelt nauwelijks een rol bij het verbeteren van de prestaties in het stelsel.

“Er is meer nodig dan doorontwikkelen. Het fundament van het stelsel staat, maar ingrijpende maatregelen zijn nodig”, stelt voorzitter Van Aartsen van de adviescommissie. De adviescommissie doet tien aanbevelingen om te komen tot een toekomstvast, effectief, slagvaardig en toekomstgericht VTH-stelsel.

1.     De ondergrens voor de omvang van de omgevingsdiensten verhogen

2.     Kwaliteit verbeteren en afstemmen op aard van inrichtingen

3.     Meer capaciteit en inzet voor strafrechtelijke handhaving en vervolging

4.     Hetzelfde basistakenpakket voor elke omgevingsdienst

5.     Landelijke normfinanciering in plaats van lokale outputfinanciering

6.     Verplichting tot informatieuitwisseling en investeren in kennisontwikkeling en kennisdeling

7.     Eén uitvoerings- en handhavingsbeleid, en één uitvoeringsprogramma op basis van één risicoanalyse per regio

8.     Versterking van de positie van de directeur door verplicht mandaat en herzien van de benoemingsprocedure

9.     Inrichten van Rijkstoezicht op omgevingsdiensten

10.  Advisering en uitvoeringstoets door omgevingsdiensten over omgevingsplannen

In het licht van de invoering van de Omgevingswet (2022) is de commissie van oordeel dat de omgevingsdienst een inhoudelijk advies moet geven over de milieunormering in omgevingsplannen en een uitvoeringstoets op de normering zou moeten uitvoeren. De ‘uitvoering’ moet hierbij een gelijkwaardige partner voor het ‘beleid’ zijn.

Er moet ook toezicht komen op de inhoudelijke prestaties van de omgevingsdiensten. De commissie ziet hier een rol voor het Rijk, bij voorkeur de ILT. Daarmee krijgt de bewindspersoon ook meer bevoegdheden om in te grijpen.

Vanwege de maatschappelijke urgentie roept de adviescommissie de politiek op na de verkiezingen snel besluiten te nemen over de voorgestelde verbeteringen en die snel uit te voeren.

2 maanden geleden

Adviescommissie VTH presenteert en overhandigt eindrapport

Donderdag 4 maart 2021 presenteert de commissie Van Aartsen het eindrapport. Deze commissie onderzocht hoe de vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) op milieugebied beter kunnen. De resultaten worden gepresenteerd aan de pers via een digitale briefing vanaf 13.00 uur. Om 14.30 uur neemt staatssecretaris Stientje van Veldhoven van IenW het rapport in ontvangst van commissievoorzitter Jozias van Aartsen.

Er zijn nog te veel incidenten in Nederland die schade opleveren voor mens en milieu. De 29 omgevingsdiensten in ons land vervullen een sleutelrol om die te helpen voorkomen. Op 25 juni 2020 is de Adviescommissie VTH ingesteld door de staatssecretaris van IenW om te adviseren over het functioneren van het VTH-stelsel. De achtergrond daarvan is dat er een aantal knelpunten spelen die opgelost moeten worden. In het eindadvies doet de commissie belangrijke aanbevelingen, onder meer waar het gaat om de onafhankelijkheid van de omgevingsdiensten. 

In verband met het coronavirus, is de persbriefing en overhandiging digitaal (via Webex). Wilt u deze persbriefing bijwonen, dan is aanmelden noodzakelijk. Aanmelden kan via commissievth@leenecommunicatie.nl. Na aanmelding ontvangt u de link die u toegang geeft tot de bijeenkomst. Als u deelneemt aan de briefing dan kunt u het eindrapport ontvangen onder embargo tot donderdag 4 maart 14.45 uur. Wilt u in uw e-mail aangeven of u ter voorbereiding het eindrapport onder embargo wilt ontvangen? 

Persbriefing

  • Datum: donderdag 4 maart 2021
  • Tijdstip: 13.00 tot 14.00 uur
  • Presentatie advies door commissievoorzitter Jozias van Aartsen
  • Vragen door aanwezige pers

Overhandiging rapport

  • Datum: donderdag 4 maart 2021
  • Tijdstip: 14.30 tot 15.00 uur
  • Overhandiging van het rapport aan staatssecretaris IenW
  • Vragen door aanwezige pers
2 maanden geleden

Commissie: wijziging Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten noodzakelijk

De Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017 zorgde voor een versterking van de waarborgen op het werk van de AIVD en MIVD. Dit blijkt uit het rapport van de evaluatiecommissie onder leiding van Renée Jones-Bos. Ook ontbreekt het de diensten niet aan bevoegdheden. Wel schiet de wet op een aantal punten te kort. Dit leidt tot knelpunten in de uitvoering en patstellingen tussen de diensten en de toezichthouders. Daarom adviseert de evaluatiecommissie in het eindrapport om de wet op een aantal punten aan te passen en dat bij de aanstaande kabinetsformatie mee te nemen.

De evaluatie van de Wiv 2017 is vandaag aangeboden aan minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en minister Bijleveld van Defensie. De wet werd in mei 2018 ingevoerd met als belangrijk doel het moderniseren van de bevoegdheden van de diensten. Hierdoor kregen de diensten ook de mogelijkheid om telecommunicatie via de kabel (waaronder internetverkeer) breder te onderscheppen. In aanloop naar de invoering van de wet ontstond veel maatschappelijke discussie. Dit leidde tot het raadgevend referendum, waarbij bleek dat er veel zorgen bestaan in de samenleving over wat er met die onderschepte gegevens gebeurt.  “De commissie is zich zeer bewust geweest van deze maatschappelijke context waarin de wet tot stand is gekomen”, zegt Jones-Bos.

Versterkte waarborgen

De modernisering van de wet betekende ook een versterking van de waarborgen – wettelijke maatregelen om te zorgen dat de wet goed wordt nageleefd. Vooral de introductie van de onafhankelijke Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (de TIB) speelde hierbij een belangrijke rol. Het toezicht op de diensten bestaat daarmee uit een toets door de TIB voorafgaand aan de inzet van bijzondere bevoegdheden, en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) die toezicht houdt op de uitvoering van deze inzet door de diensten. Dit resulteerde in een robuust stelsel van toezicht en daarmee een forse toename van de waarborgen. Ook op het gebied van internationale samenwerking heeft de nieuwe wet geleid tot een versterking van de waarborgen. Zo moeten buitenlandse diensten worden ‘gewogen’ voordat ermee mag worden samengewerkt. Deze verplichting stond niet in de vorige wet.

Wetswijziging is nodig

“De Wiv 2017 doet voor een groot deel doet wat ze moet doen. De diensten missen geen bevoegdheden en de waarborgen zijn versterkt, vooral door de introductie van de TIB”, zegt Renée Jones-Bos, voorzitter van de evaluatiecommissie. “Toch schiet de wet ook op punten tekort. Het is nodig dat de waarborgen op bepaalde punten worden versterkt. Daarom adviseren we de wet aan te passen, en wel bij het aantreden van het nieuwe kabinet.”

Bulkdata en gegevensuitwisseling

De diensten gebruiken grote hoeveelheden gegevens voor hun taakuitvoering. Nu regelt de wet het verzamelen en verwerken van deze bulkdata op verschillende manieren, afhankelijk van de bevoegdheid waarmee bulkdata wordt verzameld. Dat is niet logisch, want het gaat uiteindelijk om dezelfde gevoelige gegevens. De commissie beveelt daarom aan om bulkdata op één manier in de wet te regelen. Hierbij moet het verzamelen en het gebruik van bulkdata met meer waarborgen worden omkleed. Zo wordt tegemoetgekomen aan de zorgen in de samenleving over de omgang met grote hoeveelheden gegevens.

Verder vindt de commissie dat er extra waarborgen moeten komen voor de gegevensuitwisseling met buitenlandse diensten. Ook dit is een punt van zorg in de maatschappij. De commissie adviseert onder meer om voor de diensten een inspanningsverplichting in te voeren om Nederlandse gegevens uit bulkdata te filteren voordat deze wordt verstrekt aan buitenlandse diensten.

Rol voor de Raad van State

De Wiv 2017 geeft voor belangrijke begrippen, zoals geautomatiseerde data-analyse, geen duidelijke en afgebakende definitie. Daarnaast biedt de wet weinig aanknopingspunten om open normen zoals ‘zo gericht mogelijk’ (het zo goed mogelijk afbakenen van de te verzamelen van gegevens) in te vullen, afhankelijk van de omstandigheden. In de praktijk zorgt dit soms voor patstellingen tussen de diensten en de toezichthouders over de interpretatie van wettelijke begrippen en de invulling van de open normen. Hiervoor biedt de wet nu geen oplossing.

De commissie doet in haar rapport voorstellen voor duidelijker definities en aanknopingspunten voor de invulling van open normen.

“De commissie vindt het verder belangrijk dat het stelsel wordt aangevuld met een rol voor de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij verschillen van mening over wettelijke begrippen en de invulling van open normen. Zo kunnen eventuele patstellingen in de toekomst worden opgelost”, aldus Jones–Bos. 

4 maanden geleden

Evaluatiecommissie adviseert vernieuwing Wet veiligheidsregio’s

De veiligheidsregio’s functioneren goed als het gaat om regionale branden, incidenten en crises. Maar omdat crises ingewikkelder worden en regionale grenzen overschrijden, is meer samenwerking nodig; tussen veiligheidsregio’s, met crisispartners en met het Rijk. Daarom moet er een nieuwe wet komen die daarvoor zorgt. Dat concludeert de Evaluatiecommissie voor de Wet veiligheidsregio’s in het eindadvies dat vandaag is overhandigd aan minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid.

Crises zijn vaker ingrijpender, omvangrijker, grensoverschrijdender en diverser van aard. Naast branden en ontploffingen is sprake van grotere en complexe crises zoals cyberaanvallen, grootschalige protesten, terrorisme of pandemieën. Rampen en crises worden dan ook steeds professioneler bestreden. Ook de brandweerzorg is verbeterd sinds de huidige Wet veiligheidsregio’s tien jaar geleden is ingevoerd. Toch moet de wet worden vernieuwd, concludeert de Evaluatiecommissie Wet veiligheidsregio’s onder voorzitterschap van hoogleraar Erwin Muller. De commissie vindt de wet op dit moment te ingewikkeld, soms onvolledig of juist te gedetailleerd en mede daardoor niet geschikt voor de toekomst.

Grenzeloze samenwerking

Risico’s en crises zijn tegenwoordig vaak ingewikkelder dan een grote brand of een flinke aanrijding. Door de overheid vastgestelde regiogrenzen kunnen dan tot verwarring leiden. Toen bijvoorbeeld in juni 2019 door een storing in het KPN netwerk de 112-alarmcentrale voor het hele land niet bereikbaar was ontstond een chaotische situatie waarin meerdere veiligheidsregio hun eigen, soms tegenstijdige, communicatieboodschappen deelden. Lange tijd bestond onduidelijkheid wat burgers konden doen bij een noodgeval.

Regionale organisatiestructuur

Gezamenlijk optreden is essentieel bij crises zoals de recente boerenprotesten (met als effect geweld, vernielingen en verlammende blokkades) in 2019 en 2020 en de bestrijding van COVID-19. In dergelijke situaties moet het vanzelfsprekender en makkelijker worden om de regionale organisatiestructuur los te laten en juist gezamenlijk op te treden, oordeelt de commissie. Bij crisisbestrijding dient voortaan sprake te zijn van één crisisorganisatie in plaats van 25 regionale crisisorganisaties.

“De aard en omvang van een crisis moeten leidend zijn voor hoe je het organiseert, en niet de regio waar een crisis plaatsvindt”, stelt commissievoorzitter Erwin Muller. Daarom pleit de evaluatiecommissie er onder andere voor dat niet langer wordt voorgeschreven welke crisispartners betrokken zijn bij de voorbereiding op en het bestrijden van crises. Het telkens opnieuw beoordelen welke partner echt nodig is, zorgt voor flexibiliteit en effectievere hulpverlening, meent de commissie.  Om dat te bereiken moet de Wet veiligheidsregio’s vernieuwd worden.

Brandweerzorg

Bij het herschrijven van de wet moet de brandweerzorg een nadrukkelijke rol krijgen.  Negentig procent van het werk van de veiligheidsregio bestaat immers uit reguliere brandweertaken. Naast het werk dat de brandweer doet tijdens crisisbeheersing moet ook aandacht zijn voor het vak brandweer en de rol van brandweer bij preventie en brandveiligheid.

Bevoegdheden en gezag

Als er onverhoopt problemen zijn in de samenwerking, moet de burgemeester, de voorzitter van de veiligheidsregio of de minister kunnen ingrijpen. Zij zijn verantwoordelijk voor de regie op de crisisbeheersing maar krijgen tevens bevoegdheden om andere partijen tot medewerking te dwingen.

------

Samenstelling evaluatiecommissie

De ministerraad in juli 2019 de Evaluatiecommissie Wet veiligheidsregio’s benoemd, die bestaat uit de volgende mensen:

- Erwin Muller (voorzitter), hoogleraar Veiligheid en Recht, decaan van de faculteit Governance and Global Affairs en bestuurder van de Campus Den Haag aan de Universiteit Leiden. Eerder werkzaam als vicevoorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en Algemeen Directeur COT Instituut Veiligheids- en Crisismanagement.

- Magda Berndsen, eerder werkzaam als burgemeester, Tweede Kamerlid en korpschef politie

- Beatrice de Graaf, hoogleraar History of International Relations & Global Governance aan de Universiteit Utrecht

- Nathalie Kramers, bestuurder Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen en eerder werkzaam als korpschef politie

- Bernt Schneiders, eerder werkzaam als voorzitter veiligheidsregio Kennemerland en burgemeester

- Paul Verlaan, eerder werkzaam als directeur veiligheidsregio Brabant-Noord en regionaal brandweercommandant

De Wet veiligheidsregio’s is eind 2010 van kracht geworden. Het is voor de tweede maal dat een evaluatie plaatsvindt van deze wet. De vorige keer gebeurde dat in 2013.

5 maanden geleden

Adviescollege Stikstofproblematiek presenteert eindadvies 

“Halvering stikstofuitstoot is voorwaarde voor herstel natuur en economie”

Den Haag, 8 juni 2020 - Om de stikstofproblemen op te lossen, moet Nederland de uitstoot van stikstof halveren en tegelijkertijd serieus werk maken van natuurherstel. Het Adviescollege Stikstofproblematiek, onder voorzitterschap van Johan Remkes, doet hiervoor vergaande voorstellen. De vrijblijvendheid moet eraf, aldus het Adviescollege. Het behalen van de natuurdoelen en de reductie van stikstofuitstoot moeten wettelijk worden vastgelegd. Een voortvarende aanpak van het kabinet is essentieel. Vandaag is het eindadvies overhandigd aan minister Carola Schouten van LNV.

‘Niet alles kan overal’, zo luidt de titel van het eindadvies van het Adviescollege Stikstofproblematiek. Het advies is in lijn met de eerdere rapporten: het korte-termijnadvies ‘Niet alles kan’ van september 2019, het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ van december 2019 en het advies voor de Luchtvaartsector van januari 2020. 

Corona heeft het stikstofprobleem níet opgelost

Voorzitter Remkes stelt dat onder de huidige coronacrisis ten onrechte wel wordt gedacht dat het stikstofprobleem zich als het ware ‘vanzelf’ heeft opgelost. “De abrupte afname van emissies van stikstofoxiden (NOx) is naar verwachting tijdelijk en de ammoniakemissies (NH3) uit de landbouw zijn de afgelopen maanden niet afgenomen. Als de economie straks weer op gang komt, is het van belang dat stikstof de ontwikkelingen niet onnodig hindert”, aldus Johan Remkes. 

Samenhangende noodzakelijke maatregelen

Om de natuurdoelen te halen, is het nodig dat de uitstoot van stikstof in 2030 halveert ten opzichte van 2019. Het Rijk dient deze reductiedoelstelling te vertalen naar opgaven per provincie, afhankelijk van wat per provincie in de Natura 2000 gebieden nodig is. Elke provincie vertaalt deze opgave naar gebiedsgerichte doelstellingen. In sommige provincies zal meer nodig zijn en in andere minder. Vóór 2040 moet de uitstoot zodanig zijn afgenomen, dat de Natura 2000‑gebieden onder de kritische depositiewaarde zijn gebracht. Dit is de grens waarboven de natuur serieuze schade ondervindt van de stikstofuitstoot. Onder deze condities kan de natuur zich voor 2050 hebben hersteld. Het Adviescollege adviseert een Programma Nationale Natuurdoelstellingen te ontwikkelen, dat uiterlijk per 1 januari 2022 in werking moet treden. In dit programma moeten de noodzakelijke maatregelen op het gebied van natuurherstel en de aanpak van NOx- en NH3‑emissies op een samenhangende wijze met elkaar zijn verbonden. Om deze maatregelen te kunnen bekostigen en de transitie mogelijk te maken, adviseert het Adviescollege een stabiel begrotingsfonds in te richten met voldoende middelen tot 2040.

Geen streven maar een verplichting

De uitvoering van natuurherstelmaatregelen en de emissiereductie van 50% in 2030 moeten worden gezien als een resultaatverplichting en niet als een streven. Daarom moet dit ook in wet- en regelgeving worden vastgelegd. “Alleen met voldoende juridische borging kan geloofwaardig uitvoering worden gegeven aan de PAS-uitspraak van de Raad van State”, stelt het Adviescollege. 

Verschil aanpak NOx en NH3

In het eindadvies maakt het Adviescollege een nadrukkelijk onderscheid tussen de aanpak van NOx en de aanpak van NH3. NOx wordt vooral veroorzaakt door verbranding van fossiele brandstoffen, NH3 door biologische processen, met name in de landbouw. NOx verspreidt zich vooral in hogere luchtlagen, NH3 in de lagere luchtlagen en slaat daardoor dichter bij de bron neer. Dat pleit voor een gebiedspecifieke aanpak van NH3, en een meer generieke aanpak voor NOx. 

Nieuw perspectief: emissiearme landbouw

Voor het halveren van ammoniakemissies vanuit de landbouw adviseert het Adviescollege een gebiedspecifieke maatwerkaanpak. In de huidige landbouwpraktijk gaat ruim 40% van de gebruikte stikstof verloren naar bodem, water en lucht. De invoering van een Afrekenbare StoffenBalans moet het mineralengebruik in de landbouw weer in balans brengen. Hiervoor is tevens een grondige modernisering van het Nederlandse mestbeleid nodig. Goed ruimtelijk beleid kan daarnaast een substantiële bijdrage leveren aan emissiereductie, met optimalisatie van landbouw op basis van de kwaliteit van de landbouwgronden, oftewel: ‘Boeren op de goede gronden en aangepast aan de omgeving’. Daarnaast adviseert het Adviescollege een geavanceerd meetnet te ontwikkelen, waarbij de ammoniakconcentraties in het landelijk gebied zó gemeten worden dat ze kunnen worden herleid naar specifieke emissiebronnen en er sprake is van transparantie. 

Evenwichtig

Ook de sectoren die NOx uitstoten moeten die uitstoot met 50% verminderen. Iedere sector (de mobiliteitssector, de industrie, energiebedrijven en de bouwsector) moet dat doen op een evenwichtige wijze die aansluit bij het Klimaatakkoord en het Schone Lucht Akkoord. Hiermee kan voor een groot aantal kleinere NOx‑emissies een vereenvoudiging van de beoordeling plaatsvinden. Voor zogeheten ‘piekbelasters’ (bronnen met een grote NOx-uitstoot zoals een industrieel bedrijf, vervoersknooppunten, zee- en luchthavens) kunnen naast de generieke aanpak aanvullende gebiedspecifieke maatregelen worden genomen.  

Bouwsector

Speciale aandacht vraagt het Adviescollege voor de bouwsector: “Bouwbedrijven zijn hard geraakt, omdat na de uitspraak van de Raad van State vergunningverlening voor bouwactiviteiten vrijwel geheel is stilgevallen. En dat terwijl de bijdrage van de bouwsector aan de stikstofemissies beperkt is. Een investering in deze sector – vergelijkbaar met middelen voor andere sectoren – is daarom noodzakelijk, ook omdat deze sector juist nu van groot belang is voor het weer op gang krijgen van de economie.” Het Adviescollege adviseert daarom om voor tijdelijke emissies tijdens bouwactiviteiten voldoende stikstokruimte beschikbaar te stellen, op basis van een goed onderbouwde drempelwaarde.  

Gebiedsgericht

De provincies vervullen volgens het Adviescollege een sleutelrol voor natuurherstel en in het terugdringen van de stikstofuitstoot, op basis van de gebiedspecifieke maatwerkaanpak. Zij moeten het voortouw nemen en – samen met gemeenten, waterschappen en terreinbeherende organisaties – in kaart brengen wat de lokale opgaven zijn, en welke maatregelen en normen daarbij passen. 

 

11 maanden geleden

Remkes: “Groei luchtvaart alleen mogelijk bij vermindering stikstof"

Adviescollege Stikstofproblematiek: “Groei luchtvaart alleen mogelijk bij vermindering stikstofemissies”

Groei van de luchtvaart in Nederland mag alleen worden toegestaan als de uitstoot van stikstof afneemt, zoals dat ook in andere sectoren gebeurt. Dat stelt het Adviescollege Stikstofproblematiek, dat op verzoek van het kabinet vandaag een advies uitbrengt over de luchtvaartsector in relatie tot de stikstofproblematiek.

Het aanpakken van de stikstofproblematiek vereist dat iedere sector die stikstof uitstoot op een evenwichtige manier bijdraagt aan oplossingen. Dat schreef het Adviescollege Stikstofproblematiek in september 2019 onder leiding van voorzitter Johan Remkes in het eerste advies ‘Niet alles kan’. Minister Schouten heeft het Adviescollege in oktober vorig jaar verzocht om – in aanloop naar het eindrapport dat in mei 2020 verschijnt – vervroegd te komen met een advies over de luchtvaart.

Beeldvorming over de luchtvaartsector

De luchtvaartsector wordt gezien als een sector die een relevante bijdrage levert aan de stikstofproblematiek. Het Adviescollege kan zich dat beeld wel voorstellen, omdat de luchtvaartsector een grote bijdrage levert aan de emissies van CO2, fijnstof en geluidhinder. Het Adviescollege heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar het aandeel van de luchtvaartsector in de uitstoot van stikstof. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de bijdrage van de luchtvaartsector aan de uitstoot van stikstof beperkt is, maar wel hoger dan gerapporteerd. Dit betekent dat de beeldvorming over de luchtvaart als grote vervuiler voor stikstof niet in overeenstemming is met de werkelijkheid.

Stikstofuitstoot luchtvaartsector is beperkt, maar groter dan gerapporteerd

Voor de luchtvaartsector wordt een bijdrage aan de stikstofuitstoot gerapporteerd van 0,1%. Daarbij wordt uitsluitend gekeken naar de uitstoot door vliegbewegingen van en naar Nederlandse luchthavens, tot een hoogte van 3.000 voet. Het Adviescollege is echter van mening dat rekening gehouden moet worden met alle neerslag die vanuit de luchtvaart in Nederland terecht komt. En dus ook van uitstoot die afkomstig is van luchtvaart uit hogere luchtlagen (boven 3.000 voet), omdat boven deze grens veel stikstof afkomstig is van de luchtvaart. De bijdrage van de luchtvaartsector aan de stikstofneerslag in Nederland komt dan uit tussen de 0,7 en 1,1% van de totale uitstoot en komt overeen met 12 tot 19 mol N/ha/jaar.

De uitstoot boven 3.000 voet is lastig te relateren aan bronnen die verantwoordelijk zijn voor stikstofuitstoot. Gezien de verwachte autonome toename van het vliegverkeer, zal de depositie vanuit de atmosfeer boven 3.000 voet toenemen. Deze toename is niet direct door Nederland te beïnvloeden en zal in internationaal verband moeten worden besproken.

Luchtvaart is groeisector

De luchtvaart in Europa is de afgelopen decennia een groeisector geweest. Zo zijn de gerapporteerde emissies tussen 1990 en 2005 met 85% toegenomen en tussen 2005 en 2017 nogmaals met 25%. Door de afname in veel andere sectoren is het relatieve aandeel van de luchtvaartsector sinds 1990 verviervoudigd, ondanks dat de uitstoot per vliegbeweging is afgenomen. Dit betekent dat de toename van het vliegverkeer groter is dan de afname van de emissies.

Evenwichtige bijdrage van luchtvaartsector

Het Adviescollege acht het rechtvaardig ten opzichte van andere sectoren, dat ook de emissieruimte voor de luchtvaartsector omlaag gaat. De gewenste groei van Schiphol en het openstellen van Lelystad Airport zijn dan alleen mogelijk als de stikstofuitstoot van de luchtvaartsector als geheel afneemt. Daarom adviseert het Adviescollege de gevolgen voor de stikstofuitstoot volwaardig, volledig en integraal te beoordelen bij de besluitvorming over de gewenste groei van Schiphol en het openstellen van Lelystad Airport.

Mogelijke maatregelen

Vooral op en rond luchthavens ziet het Adviescollege kansen om de uitstoot te beperken. Bijvoorbeeld met elektrisch taxiën, vernieuwing van de vloot met efficiëntere en lichtere vliegtuigen, het verminderen van het aantal vluchten, het weren van vervuilende vliegtuigen met een bonus-/malussysteem en het stimuleren van glijvluchten om brandstofverbruik en geluidproductie te verminderen. Ook kan de uitstoot door vervoersbewegingen van en naar de luchthaven worden beperkt, zodat de uitstoot die samenhangt met het ontwikkelen van luchthavens vermindert. Als dit niet genoeg oplevert, dan moet de luchtvaartsector bijdragen aan de vermindering van uitstoot van andere sectoren alvorens ze zelf kan groeien. Hierbij gaat het om luchthaven-gerelateerde (economische) activiteiten van de luchthaven (als bedrijf), zoals het wegverkeer van en naar de luchthaven, zodat per saldo de emissies dalen.

1 jaar geleden